FILOSOFISCHE LITERATUUR:

Fjodor Dostojevski’s Aantekeningen uit het ondergrondse

Schopenhauer, Dostojevski en Nietzsche

Door Yorick Voskamp

“ In dit boek vindt men een “onderaardse” aan het werk, een borende, ondergravende.

[…] Zeker, hij zal terugkeren: vraag hem niet, wat hij daar onderaards

wil, hij zal het jullie zelf al zeggen, deze schijnbare Trophonios en

onderaardse, als hij weer “mens geworden” is. Men verleert

grondig het zwijgen, als men zo lang, als hij, mol was, als hij,

Nietzsche, F. Morgenröthe [i]

i. Een filosofische roman

Aantekeningen uit het ondergrondse (1864)  is een roman van de Russische schrijver Fjodor Dostojevski (1821-1881). Je zou kunnen zeggen dat dit een filosofische roman is. Daarom acht ik deze website de juiste plaats voor dit verslag.

 Een filosofische roman – wanneer is een roman filosofisch? ‘Filosofie’, dat wil zeggen: verlangen naar wijsheid, wijsbegeerte. Van oudsher stelt de filosofie de vraag naar de grond, de vraag naar het wezen: wat is rechtvaardigheid? We gebruiken allemaal het woord rechtvaardigheid, maar wat betekent dit woord nu eigenlijk? Wat is de definitie, betekenis, grond van dit begrip? Het zijn de antwoorden op dat soort van vragen waar de filosoof naar verlangt.

 Een filosofische roman – die heeft dus te maken met de grondvraag. De hoofdfiguur in Aantekeningen uit het ondergrondse maakt zich erg druk om deze vraag. Hij verlangt naar antwoorden, maar die zijn er niet voor hem:

“Want om in actie te komen moet men eerst volkomen gemoedsrust vinden opdat men door geen enkele twijfel meer wordt geremd. Welnu, hoe kan nu bijvoorbeeld iemand als ik die gemoedsrust verwerven? Waar heb ik de fundamentele motieven om op te rusten, waar vind ik mijn grondslagen? Waar zal ik die vandaan halen? Ik beoefen de denkkunst, dus sleept bij mij ieder grondbeginsel dadelijk een ander nog fundamenteler principe achter zich aan en zo verder tot in het oneindige”[ii]

‘Tot in het oneindige’ – dat is een verschrikkelijke conclusie voor deze filosoof. Het wil namelijk zeggen dat er dus geen grond is. Het gaat hier om de moraal, het handelen. Om rechtvaardig te kunnen handelen moet men eerst weten wat rechtvaardigheid dan wel is. Om ‘goed’ te kunnen handelen moet men eerst weten wat goed betekent. Dit is het probleem van de verteller in Aantekeningen uit het ondergrondse, dat hij geen fundamentele morele kennis kan bezitten.

   Dit is ook het probleem waar Dostojevski zich door heel zijn oeuvre heen op bezint. Het valt samen te vatten in de volgende gedachte: ‘Als God dood is, is alles geoorloofd.’ ‘God’ is de garant van de moraal, de autoriteit die goed en kwaad bepaalt. Als de garant, de referentie, wegvalt heerst er chaos.

Rond dezelfde tijd, de tweede helft van de 19e eeuw, speelt dit probleem ook op bij de Duitse filosoof Friedrich Nietzsche (1844-1900). In het aforisme Der tolle Mensch uit Fröhliche Wissenschaft (1882)spreekt hij dan ook van ‘de dood van God’:

“ Hebben jullie niet gehoord van die dwaze mens, die op klaarlichte dag een lantaarn aanstak, de markt, opliep en onophoudelijk schreeuwde: “Ik zoek God! Ik zoek God!’- Aangezien er daar juist veel van zulke bij elkaar stonden die niet aan God geloofden, wekte hij grote hilariteit. Is hij dan verdwaald? zei de een. Heeft hij de weg verloren als een kind? zei de ander. Of verstopt hij zich? Is hij bang voor ons? Is hij scheep gegaan? geëmigreerd? – zo schreeuwden en lachten ze door elkaar. De dwaze mens sprong midden tussen hen in en doorboorde hen met zijn blikken. ‘Waar God heen is? riep hij, ik zal het jullie zeggen! Wij hebben hem gedood – jullie en ik! Wij allen zijn zijn moordenaars! Maar hoe hebben we dit gedaan? Hoe konden we de zee leegdrinken? Wie gaf ons de spons om de hele horizon weg te vegen? Wat deden we, toen we deze aarde van haar zon losmaakten? Waarheen beweegt ze zich nu? Waarheen bewegen wij ons? Weg van alle zonnen? Vallen we niet voortdurend? Zowel naar achter, opzij, als naar voren, naar alle kanten? Is er nog een boven en een onder? Dwalen we niet als door een oneindig niets? Ademt de lege ruimte ons niet aan? Is het niet kouder geworden? Komt niet steeds meer de nacht en meer nacht? Moeten niet reeds voor de middag de lantaarns ontstoken worden? Horen we nog niets van het lawaai van de doodgravers die God begraven. Ruiken we nog niets van de goddelijke verrotting? – ook goden vergaan! God is dood! God blijft dood! En wij hebben hem gedood!”[iii]

‘De dood van God’ staat voor het einde van de metafysica. De metafysica is de prima philosophia – bij uitstek de filosofische discipline die zich bezig houdt met gronden, idealen, substantie: alles wat aan de wereld voorbij of vooraf gaat. Dit betreft ook de moraal, alle oordelen over goed en kwaad, die uiteindelijk teruggaan op een principe, een grondbeginsel.

Er is dus iets gaande, zo blijkt bij zowel Nietzsche als Dostojevski:

‘Het nihilisme staat voor de deur: waar komt deze meest sinistere van alle gasten vandaan?’[iv]

Aantekeningen uit het ondergrondse is een filosofische roman omdat we via het hoofdpersonage met het nihilisme geconfronteerd worden, zo bleek al in het eerste citaat.

ii. Het ondergrondse

De roman bestaat grofweg uit twee delen. Deel I bevat de pessimistische theoretische beschouwingen van de verteller, het eerste citaat is hier een voorbeeld van. In deel II duiken we in een weerzinwekkende herinnering van de verteller. Opmerkelijk is alvast dat verteller naamloos blijft.

   De eerste helft van de roman behelst een door de verteller zelf opgezette ‘dialoog’ met ‘de heren’.[v] Dit lijken ‘de heren’ te zijn met wie hij in het tweede deel enig ongemak beleeft, waarover zo dadelijk  meer. Hij vertelt vooral over zijn bestaan als denkende mens, welke hij onderscheidt van de spontane mens, de mens van de daad. Als denkende mens handelt hij niet. Hij zoekt naar grondslagen voor ieder handelen. Deze grondslagen kan hij niet vinden, daarom rest hem totale apathie. Zo beschouwt hij zichzelf als een ‘muis’ in een ‘muizenhol’, ‘ondergronds’. Enerzijds kan het ‘woonhok’ beschouwd worden als ‘muizenhol’, anderzijds kan ‘het ondergrondse’, ‘het muizenhol’, ook staan voor de gedachtewereld waarin hij zich terugtrekt, waar hij onttrokken is aan de wereld: “ Leugens, leugens en nogmaals leugens! Natuurlijk heb ik al deze woorden van u nu zelf verzonnen. Ook dit komt uit het ondergrondse […] waarom noem ik u eigenlijk ‘heren?’ ”

   In ‘het ondergrondse’ is de verteller onttrokken aan zonlicht, levenslucht, letterlijk dan wel figuurlijk. Hij is niet onder de mensen, minacht hen maar kwelt hiermee ook zichzelf. Waarom zou hij zich deze kwelling aandoen? Hoe kan de  te bewuste mens zijn eigen lijden verklaren?

Hier maak ik een kort uitstapje naar Arthur Schopenhauer (1788-1860), die zichzelf de vraag stelde ‘waartoe leven? (‘Wozu leben? ’) , dit vanuit de ervaring van een lijden. Ten grondslag aan het lijden ligt volgens Schopenhauer de wil:

 “ De onophoudelijke inspanningen om het leed uit te bannen hebben geen ander resultaat dan dat het van gedaante verandert. Van oorsprong is die gedaante gebrek, nood, zorg om de instandhouding van het leven. Is het ons eenmaal gelukt – wat overigens nog lang niet meevalt – het leed, zoals het zich in deze gedaante voordoet, te verdringen, dan verschijnt het meteen weer in duizend andere gedaanten ten tonele, afhankelijk van leeftijd en omstandigheden, bijvoorbeeld als geslachtsdrift, hartstochtelijke liefde, jaloezie, afgunst, haat, angst, eerzucht, geldzucht, ziekte, enzovoort, enzovoort. Kan het ten slotte geen andere gedaante vinden, dan komt het op in het treurige grauwe gewaad van de oververzadiging en de verveling, waartegen dan allerlei dingen in het geweer worden gebracht. Lukt het uiteindelijk deze te verjagen, dan zal men daarmee onvermijdelijk het leed in een van de vorige gedaanten weer binnenhalen, zodat het spel van voren af aan kan beginnen; want elk mensenleven wordt heen en weer geslingerd tussen leed en verveling.” [vi]

Voor Schopenhauer geldt dus: leven is lijden. Er is geen ontkomen aan, dit maakt de mens tot een tragisch wezen.

 Dit doet denken aan de gedachtegang die Dostojevski hier presenteert, zij het dat hier geconcludeerd wordt dat de mens juist een komisch wezen is.

    Wat is de aard van het verlangen, het verlangen dat de mens onophoudelijk drijft? Bij Schopenhauer is dit verlangen lijden, tragisch, zinloos.  Over het verlangen zegt de verteller in Aantekeningen uit het ondergrondse: “ Van het streven houdt hij [de mens], van het bereiken eigenlijk niet helemaal, hetgeen natuurlijk zeer vermakelijk is. Kortom de mens is een komiek wezen: in dit alles ligt blijkbaar een enorme grap besloten.” [vii] Het is voor de mens belangrijker een doel te hebben, iets te willen, ergens naar te verlangen dan dit daadwerkelijk te verwezenlijken: “want wat is een mens zonder verlangens, zonder wil en zonder wensen anders dan een tuimelaar van een orgelbaalslag?” De gedachte is dat het verlangen wezenlijk is voor de mens. Als een verlangen bevredigd wordt, dat wil zeggen: het object van verlangen wordt gerealiseerd, dan valt het verlangen zelf weg.  Maar primair is hier juist het verlangen: “dat de weg klaarblijkelijk bijna altijd ergens naartoe gaat en dat het er niet zoveel toedoet, waarheen hij leidt, als hij maar èrgens heen leidt”. Oftewel: men moet iets. Enige troost biedt Dostojevski’s komische benadering van dit probleem, waar dit bij Schopenhauer tot een treurige levensbeschouwing leidt.

Tot zover enkele opmerkingen over de belangrijkste filosofische thema’s die in het eerste deel van Aantekeningen uit het ondergrondse worden aangesneden.

iii. Een salonmemoire

In het tweede deel gaan we met de verteller een aantal jaar terug in de tijd. Wat volgt is een langzaam opgebouwd verhaal dat eindigt in een weerzinwekkende scène. De verteller geeft vlak voor hij deze memoire begint aan dat dit een experiment behelst: “ er zijn ook dingen, die een mens zelfs tegen zichzelf amper durft bekennen […] Kan men, tegen zichzelf wel volkomen oprecht zijn zonder voor de hele waarheid terug te deinzen?” [viii]

Het eerste deel van het verhaal is eigenlijk de theoretische weerslag van wat er zich in het tweede deel voordoet.

   De verteller, ook toen al een zonderling: “Over het algemeen was ik altijd alleen.”[ix], kijkt neer op zijn collega’s en op zijn oude klasgenoten. Op een dag weet hij zich, ondanks zijn minachting voor hen, echter toch aan hen op te dringen. Niet zonder tegenzin bezoekt hij een partij, waarbij hij continu voelt dat hij niet in de smaak valt: “Jullie zouden wel willen, heren, dat ik de benen nam. Ik denk er niet aan […] ‘k Blijf zitten en drinken… en ‘k zal zingen, als ik er lust in heb, ja heren, zingen ook, want daar heb ik het recht toe… om te zingen… hm.

   Maar ik heb niet gezongen.”[x]

De groep ‘heren’ laat hem links liggen, als ze zich van de eettafel naar de woonkamer verplaatsten weet onze ‘held’ zich geen houding te geven – wat nu volgt is een Sisyphus-discours[xi]: “Ik had het uithoudingsvermogen, aldus vlak voor hun neus te blijven ijsberen van achten tot elven, steeds langs hetzelfde parcours, van de tafel naar de kachel en van de kachel naar de tafel: “Ziezo, ik ga mijn gang en niemand kan het mij verbieden.” ”[xii] Hij probeert ‘de heren’, ‘de schoolvrienden’ te negeren, maar daarin is hij juist alleen met hen bezig.

   Als zij vertrekken, lijkt dit doelloze leed eindelijk ten einde. Maar nee, de tragedie zet voort, hij staat erop achter hen aan te gaan. Zodoende komt hij terecht in een bordeel, ‘de heren’ zijn echter al niet meer te bekennen. Hier, in dit laatste deel van de nachtelijke escapade, ligt de kern van ‘de grap’, ‘het spel’, de onverdraaglijke memoire. Er volgt hier een duivelse dialoog. Het is onmogelijk deze hier samen te vatten, het effect zou onherroepelijk verloren gaan.

   Laat dit vooral een reden zijn om deze roman zelf te lezen!

Toch moet ik, om terug te komen op waar ik begon en de cirkel rond te maken, mijzelf afvragen of dat mogelijk is, een filosofische roman. Het probleem van Nietzsche en Dostojevski is niet mijn probleem. Hooguit voel ik even wat misselijkheid bij de vernederende praktijken van de verteller uit de Aantekeningen, misschien kan ik een frons niet onderdrukken – maar uiteindelijk klap ik het boek gewoon dicht: weg probleem. Ik krab wat aan mijn komt, zet de televisie aan en neem een biertje. Zou het kunnen dat wat Nietzsche en Dostojevski zo ontzettend bezighield mij om het even is, dat het mij slechts uitkomt als onderwerpje om het over te hebben? Kan er met het lezen van literatuur sprake zijn van een confrontatie met het nihilisme? Hebben wij direct toegang tot de ervaring die Nietzsche en Dostojevski dreef, via hun woorden? Zou het kunnen dat wij het nihilisme helemaal niet als zodanig kunnen ervaren – ondanks de woorden? Laat deze suggestie een aanzet zijn tot filosofie.


[i]Eigen vertaling naar: Nietzsche, F. Morgenröte, 1881/1886, p. 11

[ii]Dostojevski, F. Aantekeningen uit het ondergrondse, 1864, p. 149

[iii]Vert. uit: Van Tongeren, P. Het Europese nihilisme Friedrich Nietzsche over een dreiging die niemand schijnt te deren, 2012, p. 116

[iv]Vert. Ibidem. p. 11

[v]Zie o.a. Dostojevski, F. Aantekeningen uit het ondergrondse, 1864, p. 105

[vi]Vert. uit: Van Tongeren, P. Het Europese nihilisme Friedrich Nietzsche over een dreiging die niemand schijnt te deren, 2012, pp. 126-7

[vii]Dostojevski, F. Aantekeningen uit het ondergrondse, 1864, p. 163

[viii] Vgl.: De hoofdzaak is dat ik zelf geloof wat ik zeg als ik lieg. Het moeilijkste in het leven is, te leven zonder te liegen … en… en

       aan de eigen leugens niet te geloven, ja, ja, dat is het nu precies!” Dit zegt Stepan Trofimovitsj in de roman Boze geesten van   

       Dostojevski, 1872, p. 672

[ix]Dostojevski, F. Aantekeningen uit het ondergrondse, 1864, p. 174

[x]Ibidem. p. 201

[xi]Sisyphus is een figuur uit de Griekse mythologie die van de goden de straf opgelegd kreeg een zware steen een heuvel op te rollen. Het absurde en fatale van de straf is, dat de steen telkens als Sisyphus de top van de heuvel bereikt lijkt te hebben weer naar beneden stort.

[xii]Dostojevski, F. Aantekeningen uit het ondergrondse, 1864, p. 201